Ongeveer een derde van de opwarming komt van niet-CO2-gassen. Wie methaan, lachgas en F-gassen nu aanpakt, maakt de klimaatdoelen haalbaarder én goedkoper.

Niet-CO2-broeikasgassen: de vergeten knop in het klimaatbeleid
Ongeveer een derde van de huidige opwarming komt niet door CO2, maar door andere broeikasgassen zoals methaan en lachgas. Toch gaat het meeste beleid, media-aandacht en bedrijfsstrategie in Nederland nog steeds bijna volledig over CO2. Dat is niet alleen een blinde vlek, het maakt de klimaatdoelen aantoonbaar kwetsbaar.
Recent onderzoek van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) laat iets scherps zien: als we pessimistisch uitkomen voor niet-CO2-gassen, is het 1,5°C-doel praktisch van tafel. Met optimistischer aannames blijft het nog binnen bereik. Die bandbreedte bepaalt hoeveel CO2 we nog mogen uitstoten én hoeveel de energietransitie gaat kosten.
In deze blog leg ik uit waarom niet-CO2-broeikasgassen zo bepalend zijn, wat dit betekent voor Nederlandse sectoren (vooral landbouw en energie), en hoe je als overheid, netbeheerder, energiebedrijf of agrarische ondernemer nu al strategische keuzes kunt maken.
Waarom niet-CO2-gassen de Parijse doelen kunnen maken of breken
De kern is simpel: hoe hoger de uitstoot van methaan, lachgas en F-gassen, hoe kleiner het resterende CO2-budget. En dat CO2-budget is precies de ruimte waarbinnen we onze energievoorziening, industrie en mobiliteit moeten ombouwen.
Uit het Nature Communications-onderzoek:
- Voor het 1,5°C-doel is er nog ongeveer 400 Gt CO2 wereldwijd beschikbaar.
- Voor het 2°C-doel gaat het om ongeveer 1000 Gt CO2.
- Alleen al de onzekerheid rond niet-CO2-gassen zorgt in een 2°C-scenario voor een bandbreedte van 240 Gt CO2 in dat koolstofbudget.
Dat is geen detail. 240 Gt CO2 is ruwweg vergelijkbaar met zes keer de huidige jaarlijkse wereldwijde CO2-uitstoot van de EU. Of, anders gezegd: als we niet-CO2-emissies slecht onder controle krijgen, moet CO2 nóg sneller en nóg dieper omlaag. Dat raakt direct aan tempo van uitfasering van fossiele brandstoffen, omvang van duurzame energieprojecten en strengte van beleid.
Wie niet-CO2 negeert, vergroot de druk op CO2-reductie en daarmee op de hele energietransitie.
Wat zijn niet-CO2-broeikasgassen eigenlijk in de praktijk?
De belangrijkste niet-CO2-broeikasgassen waar het PBL-onderzoek naar kijkt, zijn:
- Methaan (CH4) – vooral uit veeteelt (pensfermentatie, mest), gaswinning, olie- en gasinfrastructuur en afvalstortplaatsen.
- Lachgas (N2O) – met name uit landbouw (kunstmest, dierlijke mest) en sommige industriële processen.
- Gefluoreerde gassen (F-gassen) zoals HFK’s, PFK’s, SF6 en NF3 – gebruikt in koeling, airco’s, halfgeleiderproductie en elektrische infrastructuur.
Deze gassen hebben een veel hogere broeikaswerking per kilo dan CO2, en sommige blijven extreem lang in de atmosfeer. Methaan warmt bijvoorbeeld in 20 jaar tijd tientallen keren sterker op dan CO2.
De paradox: juist omdat veel maatregelen relatief goedkoop lijken (denk aan het dichten van methaanlekken), zijn modelstudies lang uitgegaan van ‘middle-of-the-road’-schattingen: dat het wel ongeveer goed zou komen. Het nieuwe onderzoek laat zien dat die aanname riskant is.
De prijs van onzekerheid: klimaatrekening tot 40% hoger
De studie laat ook zien wat er gebeurt als het reductiepotentieel van niet-CO2-gassen tegenvalt:
- In een pessimistisch scenario stijgen de totale kosten van klimaatbeleid met 30–40%.
- Goedkope maatregelen (zoals simpele methaanreductie) zijn dan niet genoeg.
- Duurdere, structurele aanpassingen worden onvermijdelijk: denk aan forse krimp van veestapels, versnelde vervanging van koelinstallaties of strengere normen voor kunstmestgebruik.
Voor Nederland is dat geen theoretische discussie. De combinatie van:
- strenge Europese klimaatdoelen,
- een relatief grote landbouw- en veehouderijsector,
- en een zware industriële en energie-infrastructuur
maakt ons extra gevoelig voor deze onzekerheid.
Voor beleidsmakers en bedrijven geldt dus: wie nu investeert in reductie van methaan, lachgas en F-gassen, koopt flexibiliteit en lagere kosten in de toekomst. Wie wacht, verplaatst de rekening naar later – maar dan met rente.
Landbouw: de lastigste maar cruciale schakel
Het PBL-onderzoek zoomt bewust diep in op landbouw, omdat daar:
- de emissies hardnekkig zijn; en
- de onzekerheid over technieken en gedrag het grootst is.
Waar komt de uitstoot in de landbouw vandaan?
Belangrijke bronnen in Nederland:
- Veeteelt: methaan uit de pens van koeien en uit mestopslag.
- Kunstmest en dierlijke mest: lachgas bij toediening op het land.
- Rijstteelt (mondiaal relevant, in Nederland beperkt, maar wel belangrijk voor importketens).
Mogelijke maatregelen – en hun haken en ogen
Er is een heel palet aan opties, maar niet alles is direct schaalbaar of sociaal acceptabel:
- Voeraanpassingen om methaanuitstoot per koe te verlagen.
- Mestvergisting om methaan op te vangen en te gebruiken als (groen) gas.
- Precisielandbouw en gerichte bemesting om lachgasemissies te beperken.
- Rassenkeuze, managementmaatregelen en stalinnovaties om emissies per dier te reduceren.
- Kringlooplandbouw en extensivering om absolute veestapel en mestproductie te verkleinen.
Het probleem: veel modellen nemen impliciet aan dat dit allemaal grootschalig en tijdig haalbaar is. Maar:
- sommige technieken zijn nog in ontwikkeling;
- sommige zijn wel technisch, maar niet economisch haalbaar zonder stevige prikkels;
- andere stuiten op maatschappelijk en politiek verzet.
De grootste onzekerheid zit volgens het onderzoek in de technische haalbaarheid. Dat is precies waarom gerichte innovatieprogramma’s en praktijkpilots in Nederland zo belangrijk zijn. Niet alleen voor de klimaatwinst, maar ook om te weten: wat kan er écht, tegen welke kosten en in welk tempo?
Energie en industrie: methaanlekken en F-gassen als laaghangend fruit
Voor de energie- en industriesector liggen er op korte termijn veel kansen bij de niet-CO2-gassen.
Methaan in olie- en gaswinning en infrastructuur
Methaanreductie in de energieketen is meestal goedkoop per vermeden ton CO2-equivalent. Denk aan:
- opsporen en repareren van lekken in gasleidingen en installaties;
- optimaliseren van affakkel- en lozingspraktijken;
- strikte monitoring van methaanemissies in internationale importketens van gas en olie.
Voor een land als Nederland, dat nog steeds een rol speelt in de Europese gasinfrastructuur, is dit een directe kans om snel klimaatwinst te boeken en tegelijk reputatierisico’s te beperken.
F-gassen in koeling, airco en industrie
F-gassen als HFK’s en SF6 hebben een extreem hoge klimaatimpact per kilo. Hier liggen kansen bij:
- versneld overstappen op middelen met lage GWP (Global Warming Potential) in koelinstallaties;
- strengere eisen en beter onderhoud in de koel- en klimaattechniek;
- terugdringen van lekverliezen bij SF6 in hoogspanningsstations en schakelinstallaties;
- circulaire strategieën: terugwinning en vernietiging van oude koelmiddelen.
Voor bedrijven in de gebouwde omgeving, datacenters, supermarkten en netbeheer geldt: investeren in F-gassenreductie is vaak goedkoper en sneller dan een extra stap in CO2-reductie elders. Zeker gecombineerd met elektrificatie en warmtepompen ontstaat een dubbel effect.
Waarom nu opschalen: Global Methane Pledge en Nederlandse context
Tijdens COP26 in Glasgow is de Global Methane Pledge afgesproken: deelnemende landen (inmiddels zo’n 150) willen de methaanuitstoot in 2030 met 30% verlagen ten opzichte van 2020.
Dat klinkt helder, maar het PBL-onderzoek waarschuwt:
We weten relatief weinig over de haalbaarheid van de Global Methane Pledge, laat staan van ambitieuzere doelen.
Veel scenario’s gebruiken oude data en gemiddelde schattingen. De onzekerheid verdwijnt in het model, maar niet in de echte wereld. Voor een land als Nederland, dat al worstelt met haalbaarheid van het klimaatdoel 2030, is dit een serieus risico.
Wat betekent dit concreet voor Nederland?
- Klimaatdoel 2030 – het PBL gaf eerder al aan dat de kans op het halen van het huidige reductiedoel “heel erg klein” is zonder extra beleid. Als niet-CO2-reductie tegenvalt, wordt die kans nog kleiner.
- Energietransitie – meer druk op CO2-reductie betekent:
- snellere uitfasering van fossiele centrales;
- hogere inzet op hernieuwbare energie en opslag;
- meer noodzaak om vraagsturing en flexibiliteit te organiseren.
- Landbouwtransitie – onzekerheid over methaan en lachgas maakt het urgenter om:
- duidelijke lange termijn-perspectieven te bieden aan boeren;
- innovaties niet alleen te subsidiëren, maar ook snel op te schalen;
- integraal te kijken naar klimaat, natuur en waterkwaliteit.
De rode draad: niet-CO2-beleid is geen bijzaak, maar randvoorwaarde om de rest van het klimaat- en energiebeleid geloofwaardig te houden.
Praktische stappen: wat kun je vandaag al doen?
Om het concreet te maken, een paar actiepunten per doelgroep.
Voor overheden en beleidsmakers
- Neem expliciete niet-CO2-doelen op in klimaat- en energieprogramma’s, naast CO2.
- Stimuleer monitoring en rapportage van methaan, lachgas en F-gassen, ook bij kleinere bronnen.
- Versnel innovatieprogramma’s voor landbouwmaatregelen (voer, mest, teelt), inclusief grootschalige pilots.
- Veranker methaanreductie in vergunningverlening voor energie- en industriële projecten.
- Koppel subsidies (bijvoorbeeld voor warmtepompen, koeltechniek, mestvergisting) aan bewezen lage niet-CO2-emissies.
Voor energie- en industriebedrijven
- Voer een methaan- en F-gassen-audit uit: waar zitten de grootste lekken en risico’s?
- Stel een interne prijs op methaan en F-gassen vast, gebaseerd op CO2-equivalenten.
- Combineer energie-efficiëntieprojecten altijd met niet-CO2-reductie (lekdetectie, koudemiddelen, procesaanpassing).
- Werk in internationale ketens met leveranciers aan transparante methaanrapportages.
Voor agrarische ondernemers en agroketens
- Inventariseer samen met adviseurs de methaan- en lachgasbronnen op je bedrijf.
- Test voermaatregelen en mestverwerkingstechnieken via pilots of demonstratieprojecten.
- Werk in ketens (zuivel, vlees, akkerbouw) aan klimaatlabels die ook niet-CO2 meenemen.
- Sluit aan bij programma’s rond kringlooplandbouw, die vaak dubbel scoren op klimaat en bodemkwaliteit.
Dit alles vraagt natuurlijk om heldere randvoorwaarden, eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten, en voorspelbaar beleid. Maar technisch en beleidsmatig kan er al veel meer dan nu wordt benut.
Waarom meer onderzoek naar niet-CO2 nu cruciaal is
Het PBL-onderzoek, samen met IIASA, PIK en de UU, hamert op één punt: we hebben veel meer, en vooral betere, studies nodig naar concrete maatregelen voor niet-CO2-gassen.
Dat onderzoek is niet academisch voor de bühne. Het:
- verscherpt de inschatting van het reductiepotentieel, zodat we realistischer plannen kunnen maken;
- stimuleert innovatie, waardoor kosten kunnen dalen en technieken sneller marktrijp worden;
- maakt het mogelijk om maatregelen op tijd op te schalen, zodat ze al vóór 2030 effect hebben;
- verkleint de onzekerheid rond wat er dan nog van CO2-reductie gevraagd wordt.
Wie nu inzet op kennisontwikkeling rond niet-CO2, helpt voorkomen dat we straks schoksgewijs nóg harder aan de noodrem van CO2-beleid moeten trekken.
Slot: de vergeten knop die we nu moeten omzetten
De boodschap van het PBL-onderzoek is glashelder: zonder serieuze aandacht voor niet-CO2-broeikasgassen wordt het halen van de klimaatdoelen veel duurder en mogelijk onhaalbaar, zeker het 1,5°C-doel.
Voor Nederland betekent dit dat klimaat- en energiebeleid niet langer alleen in CO2 mag denken. Methaan, lachgas en F-gassen horen in hetzelfde gesprek thuis als warmtepompen, windparken en waterstof. Wie nu gericht stuurt op deze gassen, creëert ruimte in het wereldwijde koolstofbudget, drukt de kosten en verkleint de kans dat we later in paniek veel hardere maatregelen moeten nemen.
De keuze is dus niet óf, maar hoe snel we niet-CO2 volwaardig onderdeel maken van de duurzame transitie. De echte vraag is: wil je verrast worden door de rekening, of ga je zelf aan de knoppen zitten?